International College for Research on Equine Osteopathy

 


HOME

HOT NEWS

ONZE GEGEVENS

LOCATIES

DATA

FOTO'S

VARIA

DOWNLOAD

EINDWERKEN

LINKS

 

 

EINDWERKEN

Dr. Aleid Verhoeff:

De Nier

 

Inleiding

Als dierenarts kom ik allerlei soorten patiënten tegen. Als acupuncturist behandel ik het meest (Chinese) nierpatiënten; dit zijn honden met allerlei vormen van arthrose en rugproblemen. Hier is mijn speciale interesse voor het orgaan nier en het effect van een osteopathische behandeling op deze patiënten vandaan gekomen.

Doel van dit onderzoek is te zien op welke manier de nieren en hun verbindingen van belang zijn voor de osteopathie. In het eerste deel theoretisch, en in het onderzoeksgedeelte ook praktisch.

Bovendien moet duidelijk worden of de effecten van een behandeling met osteopathie bij nierpatiënten via bloed- en urineonderzoek zichtbaar gemaakt kan worden.

Osteopathische visie omtrent de nieren

 

 

1 Inleiding

Osteopathie is een holistische geneeswijze, dat wil zeggen dat we het lichaam en alle organen beschouwen als een eenheid. Dit betekent dat ook de nier niet bekeken kan worden als een op zichzelf staand orgaan. De nier en zijn functioneren moet in het verband gebracht worden met de hele organisme.

 

2 Verbindingen van de nieren

Er zijn verschillende soorten van verbindingen en contacten van nieren met andere organen en structuren:

1 Functionele verbinding: Het verloop en de regulatie van de afvoer van water en afvalproducten: nier – ureter – blaas – urethra.

2 Anatomische verbinding: De ligging en beïnvloeding van en door omliggende weefsels.

3 Neurologische verbinding:

De efferente informatie, vanuit het centrale zenuwstelsel naar de nier en de afferente informatie, die van de nieren naar het centrale zenuwstelsel gaat zijn gekoppeld aan het functioneren, de mobiliteit en de motiliteit van de nier.

Al deze verbindingen zijn van belang in verband met het functioneren van de nieren, dus belangrijk voor de osteopathie!

4.2.1 Functionele relaties van de nier

Voor de effectiviteit van de filtratie van de nier is de glomerulaire filtratiesnelheid (GFR) een belangrijke parameter. De GFR wordt geregeld door neurale en hormonale factoren die inwerken op de afferente en de efferente arteriolen van de glomerulus (zie paragraaf 2.5). Kort weergegeven zijn deze factoren:

– het RAAS (renine angiotensine aldosteron systeem), in verband met het extracellulaire volume;

– het autonome zenuwstelsel, sympatisch en parasympatisch;

– de bloeddruk;

 

Voor het RAAS ( met renine, angiotensine en aldosteron) zijn goed functionerende nieren, lever en bijnieren nodig. Hier worden de genoemde hormonen respectievelijk gevormd.

 

Het orthosympatische systeem loopt via de grensstreng, vanuit het ganglion cervicale craniale onder de ruggenwervels door tot onder het sacrum, communicerend met de laterale zijhoorn in het ruggenmerg.

 

Meerdere plexussen worden genoemd voor de innervatie van de nieren.

Aftakkingen voor plexus coeliacus ontstaan tussen de vijfde en de tiende thoracale wervel.

Plexus hypogastricus wordt onder de laatste lumbale wervels en onder het sacrum gevormd. Baljet en Drukker noemden de nervi splanchnici lumbalis cranialis en de plexus intermesentericus. De nervi splanchnici cranialis ontspringen uit het segment ter hoogte van de eerste lumbale wervels (Evans en Christensen 1979).

Evans en Christensen (1979) beschrijven plexus renalis. Deze wordt gevormd door takken van het ganglion renale en aorticorenale. De ganglia worden gevormd door de eerste vier lumbale nervi splanchnici.

 

De parasympatische invloed op de nieren wordt geregeld door n. vagus en/of nn. pelvici. De kopzenuw verloopt vanuit het myelencephalonmerg met de truncus sympaticus mee. De nn. pelvici lopen via de plexus hypogastricus van onder het sacrum naar de nieren. Directe parasympatische invloed wordt in de literatuur niet genoemd. Een indirecte parasympatische invloed wordt wel genoemd; die verloopt via het a triaal natriuretisch peptide ( ANP). Het komt vrij wanneer de druk in het atrium toeneemt.

Bovendien werken negatieve impulsen via de n. vagus negatief op het hartminuutvolume (Van der Meer & Stehouwer 2001).

 

De bloeddruk is van zeer vele factoren afhankelijk. De hoogte van de bloeddruk wordt hemodynamisch gezien bepaald door de verhouding tussen de hoeveelheid bloed die per tijdseenheid het arteriële vaatbed binnenstroomt (hartminuutvolume), de weerstand die de arteriolen bieden aan de bloedstroom en de rekbaarheid van de aorta en afgaande grote arteriële vaten. Het hartminuutvolume is afhankelijk van de vullingsgraad van het vaatbed, de extracellulaire vloeistof en impulsen vanuit het autonome zenuwstelsel.

 

4.2.2 Anatomische relaties van de nieren bij de hond

De nieren liggen retroperitoneaal tegen de fascia iliaca , de sublumbale spieren en een buikspier aan (m. quadratus lumborum, de psoasspieren en m. transversus abdominis).

Ook de spanning van de overige buikspieren (m. obliquus abdominis externus en internus, m. rectus abdominis) heeft invloed op de fasciën rondom de nieren en de nieren zelf (Barral & Mercier 2000).

 

De rechternier ligt tegen de eerste drie lendenwervels , deels ingebed in de processus caudatus van de lever . De ventrale zijde ligt tegen het duodenum descendens , de lobus pancreatis dexter , het caecum en het colon ascendens . Ook maakt de rechternier contact met het diafragma. Het craniale deel ligt dicht bij de v. cava caudalis .

De linkernier ligt tegen de tweede , derde en vierde lendenwervel . Deze nier maakt contact met het dorsale oppervlak van de milt , het omentum majus en de curvatura major van de maag . Bij de teef is de linkernier in contact met het mesovarium en met het colon descendens . Bij de reu mediaal met het colon descendens , het mesocolon en het duodenum ascendens .

Beide nieren hebben contact met hun bijnieren .

 

Fasciën

Alle spieren en organen in het lichaam zijn omgeven en met elkaar verbonden door fasciën. Bij de humane osteopaat S. Paoletti valt onder de term fasciën : membranen, aponeurosen, ligamenten, hersenvliezen en ophangsystemen van de buikorganen.

Via de fascia iliaca staat de nier in verbinding met de rest van het lichaam.

 

Er is een wisselwerking tussen de nieren en andere organen door de verbindingen met de fasciën (figuur 9 en 10).

 

Figuur 9. Het onderlinge contact van de verschillende fasciën bij de mens (Paoletti 2001).

 

 

 

 

Figuur 10. Het ophangsysteem van de buik. Dwarsdoorsnede ter hoogte van het niveau van

de milt (Evans & De Lahunta 2000).

 

 

4.2.3 Afferente neurologische relaties van de nieren

Bij een stoornis in het functioneren of in de mobiliteit of de motiliteit van de nier (zie verderop) gaat hierover (gestoorde) informatie naar het centraal zenuwstelsel. Dit heeft allerlei fysiologische gevolgen.

 

Er treedt een verstoring op in het corresponderende wervelniveau . Voor de linkernier betreft het de eerste tot aan de derde lendenwervel aan de linkerzijde van de wervelkolom. Voor de rechternier betreft het de tweede tot en met de vierde lendenwervel aan de rechterzijde. Deze verstoring kan een blokkade tot gevolg hebben.

Een blokkade van de bewegingen van de facetgewrichten van een wervel (in dit geval ter hoogte van de eerste tot en met de vierde lendenwervel) kan de volgende neurofysiologische gevolgen hebben (Alen & Dirckx, ICREO 2003-2006).

1 Via de spinale zenuwen ter hoogte van het corresponderende wervelniveau:

– de ramus dorsalis: hypertonie van de autochtone rugspieren in het desbetreffende segment en een hypersensibiliteit van de huidgebieden van de betrokken zijde van de wervelkolom;

– de ramus ventralis en ramus intercostalis: hypertonie van de buikspieren en hypersensibiliteit van de huid die door de desbetreffende zenuwen (het betreft de n. ilioinguinalis, n. iliohypogastricus en n. genitofemoralis; zie verderop in de tekst) geïnnerveerd wordt.

Door deze hypertonie wordt de n. phrenicus getriggerd. Dit zal dan gevolgen hebben voor de laagcervicale wervels waar de n. phrenicus ontspringt. Bovendien kan het diafragma, dat door de n. phrenicus geïnnerveerd word, verstoord raken.

2 Via de sympatische vezels in de zijhoorn van het ruggenmerg van het desbetreffende

segment. Preganglionaire vezels vervoegen zich, via de ramus ventralis, bij de grensstreng. Postganglionaire vezels vanuit de ganglia van de truncus sympaticus kunnen in hetzelfde segment weer bij de spinale zenuw terugkeren. Ze kunnen ook divergeren via de grensstreng en opstijgen of afdalen naar hoger of lager gelegen ganglia. Er ontstaat een hypertonie van de bloedvaten. Volgens de ‘arterial rule' wordt deze vasoconstrictie gevolgd door meer of minder uitgebreide vasodilatatie.

Door een storing van de orthosympaticus kunnen de volgende symptomen ook ontstaan:

– een verstoring van de werking van de viscera, wat betreft peristaltiek, klierwerking in het orgaan en bloedvoorziening naar het orgaan;

– hypertonie van het bindweefsel;

– een pilo-erectie van de vacht;

– eventueel, afhankelijk van de diersoort, een hyperhydrosis.

 

Niet goed functionerende nieren kunnen een hypertonie van psoasspieren tot gevolg hebben. Deze hypertonie kan ontstaan door het directe contact met de nier, maar ook indirect door triggering van de takken van de lumbale en intercostale zenuwen die deze spieren innerveren. De hypertonie van de mm. psoas kunnen dan weer irriterend werken op de n. ilioinguinalis, de n. iliohypogastricus, de n. genitofemoralis en de n. femoralis. Deze lopen tussen de psoasspieren door (Evans & Christensen 1979; Alen & Dirckx, ICREO 2003-2006). Dit kan leiden tot respectievelijk irritatie van de huid van de liesstreek, van het bovenste deel van de binnenzijde van de heup en de knie. Bovendien kunnen er problemen ontstaan door een hypertonie van de spieren die door de n. femoralis geïnnerveerd worden.

 

De n. vagus is verantwoordelijk voor pijn vanuit organen. Storingen in de nieren, doorgegeven via de n. vagus, kunnen voor allerlei problemen zorgen. Nervus vagus maakt in het foramen jugulare contact met n. glossopharyngeus en de n. accessorius.

 

Via een storing van de n. vagus kan het atlanto-occipitale gewricht ook minder gaan functioneren. Hierdoor kunnen weer andere problemen ontstaan. Onder de vleugels van de atlas ligt het ortho-sympatische ganglion cervicale craniale. Aftakkingen van deze ganglia zijn verantwoordelijk voor de doorbloeding van het cerebrum met de hypofyse en het cerebellum, voor de arteria carotis, voor de plexus choroideus. Bovendien gaan er takken naar het foramen jugulare waar ze contact maken met nervus vagus (Alen en Dirckx 2003-2006).

Een storing van de n.vagus zal ook effect kunnen hebben op alle systemen die door deze zenuw efferent geïnnerveerd worden.

 

De n. phrenicus wordt sensibel geprikkeld bij een irritatie van de vliezen en ligamenten rond organen die in contact liggen met het diafragma, dus ook de nier. De afferente informatie gaat terug naar de wervels waar de n. phrenicus ontspringt. Dit is ter hoogte van de vijfde tot en met de zevende halswervel. Hiervandaan kan dan weer efferent een reactie komen van de mm. scaleni en van het diafragma via de n. phrenicus.

 

4.3 Mobiliteit en motiliteit

Er is een mobiliteit en een motiliteit van elk orgaan.

Dankzij de fasciën die de organen omgeven, zijn de organen in de buikholte beweeglijk ten opzichte van elkaar. De mobiliteit wordt door het diafragma en het ademhalingsritme veroorzaakt.

De motiliteit is de eigen beweging van de nieren. Het is de beweging die nog te voelen is wanneer alle andere onwillekeurige uitwendige oorzaken geëlimineerd zijn. Dit is vooral het diafragma.

Elke pathologische aandoening zorgt voor een niet meer vrij kunnen bewegen van het betreffende orgaan, er treedt een viscerale fixatie op. Wanneer het lichaam zich niet kan aanpassen, kan een functionele storing ontstaan. Deze functionele storing kan een structurele storing tot gevolg hebben (Barral 2000).

 

4.3.1 Invloeden op de m obiliteit van de nieren

De nieren worden tegen de sublumbale spieren aangedrukt, liggend in een loge van verschillende fasciën. De ligging van de nieren binnen de fasciën geeft een zekere bewegingsvrijheid.

De spanning van de buikspieren (m. obliquus abdominis externus en internus, m. transversus abdominis en m. rectus abdominis) heeft invloed op de fasciën rondom de nieren en de nieren zelf (Barral & Mercier 2000).

De nieren bewegen als gevolg van de bewegingen van het diafragma en het ademhalingsritme. De nieren volgen bij deze beweging de binnenzijde van de sublumbale spieren. Bij de mens kan een nier tijdens een diepe inademing wel 10 centimeter naar beneden gaan en bij de uitademing dezelfde afstand naar boven (www.osteopathie.nl).

Meestal gaat het echter om een beweging die vergelijkbaar is met de hoogte van een lendenwervel (Barral & Mercier 2000).

Zeker bij honden en, met wat meer moeite ook bij paarden, is deze beweging te voelen.

 

4.3.2 Invloeden op de motiliteit van de nieren

Bij de mens (Barral & Mercier 2000) wordt er gesproken over de motiliteit van de nieren. Deze motiliteit bestaat uit twee delen: een verticale beweging en een slingerende beweging. Deze laatste gaat als een ruitenwisser heen en weer, met het vaste punt aan de craniale pool van de nier. Bij de mens kan deze beweging over een aantal centimeters gaan.

Deze motiliteit zal bij de verschillende diersoorten ook aanwezig zijn. Door de anatomische verhoudingen rondom de nieren zijn ze moeilijker te voelen dan bij de mens.

 

Conclusie met betrekking tot de osteopathische behandeling van nierproblemen

Voor optimaal functionerende nieren moet het totale lichaam goed functioneren. Een nier staat direct en indirect in contact met veel structuren. Op tal van manieren kan het proces van urinevorming verstoord worden. En vele processen en organen staan onder invloed van de nier.

Het is bij nierpatiënten belangrijk het hele dier te onderzoeken en alle gevonden afwijkingen te behandelen.

 

Samenvatting

 

De nieren zijn zowel anatomisch als fysiologisch verbonden met een groot deel van de rest van het lichaam.
Voor deze thesis zijn vijf honden met chronische nierproblemen behandeld met osteopathie. Het aantal is te klein om er wetenschappelijk verantwoorde conclusies aan te verbinden.

Eén patiënt is duidelijk vooruitgegaan na de behandeling. Bij de overigen is nauwelijks tot geen verbetering opgetreden.

Met een osteopathische behandeling draag je bij tot het instandhouden van de functies van alle organen, dus ook die van de nieren.

Wanneer er daadwerkelijk permanente weefselveranderingen zijn, dan kan de osteopathie deze niet meer genezen. Secundaire gevolgen van een nierlijden verbeteren door een osteopathische behandeling.

 

Terug naar lijst