EINDWERKEN
Ann Vanden Bosch:
Middendraf
De motivatie om dit werk te schrijven is ontstaan uit nieuwsgierigheid om te weten waaraan de problemen in de middendraf te wijten zijn en of we deze osteopathisch kunnen verbeteren.
De middendraf ontstaat vanuit een krachtig stuwende en goed ondergebrachte achterhand, waardoor het paard zijn passen gaat verruimen met een soepele rug en opgerichte voorhand.
Hoewel het paard dit in vrijheid al mooi kan laten zien, moet het jonge paard al een correcte trainingsopbouw achter de rug hebben om dit ook onder de ruiter te kunnen.
Om een beter inzicht te krijgen in de beperkende factoren voor de middendraf is het nodig de biomechanica te begrijpen.
Dit thema wordt dan ook uitvoerig besproken en hieruit kan geconcludeerd worden dat er een grote samenwerking tussen de spieren dient te zijn en ze vlot moeten kunnen contracteren en ontspannen om zo een symmetrische, ruime en vloeiende beweging toe te laten. Na een enquête bij 57 ruiters en onderzoek van 42 paarden, werd duidelijk welk de meest voorkomende klachten waren en dat deze ook te wijten kunnen zijn aan tandproblemen, optuiging, rijtechniek, africhting, lichaamsbouw en beslag.
De zone met de meeste blokkades was de thoraco-lumbale zone(T16-L6). Hierin bevinden zich heel wat structuren die door een slechte werking of verminderde vascularisatie een invloed kunnen hebben op een blokkade en zo de beweging van het paard verstoren.
Het caecum ligt in het dorsale rechterdeel van de buik tussen de 15 ° rib en het tuber coxae en is verbonden met de pancreas en de onderzijde van de rechter nier en staat in voor de afbraak van cellulose.
Het grenst aan de lever en ook aan de psoasmusculatuur. Door een slechte werking kan het de werking van de M. Iliopsoas, die heel belangrijk is voor het onderbrengen van de achterhand, negatief beïnvloeden en kan het ook de aanliggende organen irriteren.
De nieren liggen retroperitonaal tegen de psoasspieren en het diafragma. Bij een verminderde nierfunctie kan er via verstoorde orthosympatische visceroafferente info rmatie van de nier, een thoraco-lumbale blokkade optreden die dan weer gevolgen geeft op de werking van de psoasspieren.
Doordat de nieren contact hebben met de fascia iliaca, die de iliolumbale spieren ondersteunt en die via de inguinale arcade een relatie heeft met de fascia femoralis, kunnen er bij nierproblemen spanningen op deze fascias ontstaan, waardoor de bewegingen van de achterhand beperkter zijn.
Bij een functiestoornis in het colon descendens, rectum of ovaria kan er een gestoorde orthosympatische info rmatie optreden naar L2-L5, met als gevolg dat er na enige tijd blokkades kunnen ontstaan, wat dan weer verstoorde efferentie geeft via de n. Femoralis en de n. Obturatorius naar de achterhandmusculatuur.
De problemen in de middendraf zoals versnellen, slechts enkele passen verruimen, met achterbenen open stuwen, niet voldoende stuwen en niet goed terugkomen naar de arbeidsdraf zijn veelal het gevolg van blokkades in deze zone.
Paarden die vooraan erg voorzichtig en kort draven, snel struikelen, taktfouten maken en een beperkte schoudervrijheid hebben, vertonen meestal blokkades in de schoftstreek, deze paarden zijn dan ook vaak gevoelig bij het aansingelen.
Deze blokkades kunnen ontstaan zijn door een verstoorde afferente info rmatieoverdracht vanuit de organen zoals de lever, maag en milt, door het zadel of door een blokkade in de achterhand waardoor het paard niet goed stuwt en dit tracht te compenseren door trekkracht van de voorhand en de schoft hierdoor overbelast raakt.
Bij blokkades van de laag cervicale of de eerste thoracale wervels kan dus de Plexus Brachialis, van waaruit de voorbeenspieren geïnnerveerd worden, verstoorde efferente info rmatie doorgeven, wat dan weer zijn weerslag geeft op de voorbeenmotoriek.
Blokkades in het OAA-gewricht zorgen dan voor een slechte nageeflijkheid, waardoor het paard op de ruiterhand steunt en geen oprichting heeft.
De rol van een vrij OAA-complex is zeer belangrijk om een goede werking van de viscerale organen te waarborgen via de n. Vagus. Omgekeerd kan een verstoorde afferentie een blokkade veroorzaken. Dit kan dan weer de werking van het ganglion cervicale gaan beïnvloeden.
Het paard is een geheel en moet dus overal in zijn lichaam goed functioneren om harmonisch te bewegen.
Paarden met dezelfde bewegingsbelemmeringen hoeven niet noodzakelijk in dezelfde zones problemen te hebben, ieder individu kan anders omgaan met zijn blokkades en deze dan ook op een andere manier gaan compenseren naargelang zijn mogelijkheden.
Dit werk kan er toe bijdragen de problemen in de middendraf beter te herkennen, hun oorzaak te achterhalen om ze daarna te kunnen behandelen.
Terug naar lijst