International College for Research on Equine Osteopathy

 


HOME

HOT NEWS

ONZE GEGEVENS

LOCATIES

DATA

FOTO'S

VARIA

DOWNLOAD

EINDWERKEN

LINKS

 

 

EINDWERKEN

Mariëlle Kamphorst :

Osteopathie en hengstigheidsproblemen bij merries

 

1. Inleiding
Voor het bestaan van een normale cyclus bij de merrie moeten vele neuro-endocriene functies juist op elkaar afgestemd zijn. Niet alleen de vrouwelijke voortplantingsorganen, maar ook de betrokken hoger gelegen delen van het CZS moeten zo optimaal mogelijk hun functie kunnen uitvoeren.
Problemen bij de hengstigheid (te veel, onregelmatig of nooit hengstig worden van de merrie) zijn vaak een gevolg van het uit balans zijn van meerdere factoren in het lichaam. Een osteopathische aanpak van het probleem lijkt dus duidelijk op zijn plaats, omdat in de osteopathie het lichaam wordt gezien als een eenheid en niet als apart van elkaar functionerende delen. Ook in de humane osteopathie worden gynaecologische problemen met succes behandeld.
Bij de behandeling van de merrie met hengstigheidsproblemen zal het accent vaak liggen op bepaalde regio's, die een zeer duidelijke sleutelfunctie hebben in het geheel van de cyclus. Wel blijft het principe "Treat what you find" altijd van kracht en worden ook eventuele blokkades in andere regio's behandeld.
Een bepaalde volgorde van behandelen wordt zoveel mogelijk aangehouden. Uiteraard wordt eerst via de '3 minuten test' het paard afgetast en eventuele probleemregio's opgezocht. De behandeling start meestal thoracaal, of sacraal/lumbaal en eindigt cervicaal en daarna craniaal. Er wordt gebruik gemaakt van technieken om het parietaal systeem, visceraal systeem en cranio/sacraal systeem te beïnvloeden.
Bij het behandelen van deze merries dienen we ook te bedenken dat ze vaak een gevoelige buikregio hebben en snel slaan, enige voorzichtigheid is dus geboden.
 

2. Hengstigheidsproblemen en osteopathische relaties met de thoraco-lumbale overgang (fb18-L5/L6)
Deze regio is van belang bij de orthosympatische bezenuwing van de voortplantingsorganen.
De uterus wordt orthosympatisch bezenuwd vanuit Th18-L4 en de ovaria vanuit LI-L5. Wel wordt aangegeven dat de orthosympatische bezenuwing van uterus humaan naar voren door loopt tot aan het niveau Th4/5 en bij het paard misschien Th7-8. Het is dus van belang dat we ons realiseren dat ook problemen in de wervelkolom meer craniaal dan Th18 een rol kunnen spelen.
Technieken die gebruikt kunnen worden bij het paard zijn de directe manipulaties bij blokkades en mobilisaties en Jonestechnieken bij blokkaden-restricties en hypertonus. Verder kan er gebruik worden gemaakt van fasciale listening technieken in deze regio.
Belangrijk is ook te denken aan Th 16-17 in verband met de orthosympatische bezenuwing van bijnieren in verband met de adrenale steroiden (cortisol, aldosteron) en de geslachtshormonen die in de bijnier geproduceerd worden (zie hoofdstuk 3.7).
Vanaf Th17 en de 5 lumbale wervels moeten we ons realiseren dat de m.psoas major/minor in het geheel een rol kunnen spelen vanwege hun origo op de ventrale zijde van Th17-18 en de bijbehorende ribben (denk ook aan hun relatie met de nieren). De psoas major wordt geïnnerveerd vanuit de ventrale takken van de lumbale zenuwen en de psoas minor behalve vanuit de ventrale takken van de lumbale zenuwen ook vanuit de intercostale zenuwen.
 

3. Hengstigheidsproblemen en osteopathische relaties met de lumbale wervelkolom en het sacrum
Allereerst moeten we denken aan het feit dat de parasympathische bezenuwing van de voortplantingsorganen afkomstig is van het sacrale deel van het ruggemerg. De preganglionaire vezels (deels wel en deels niet gemyeliniseerd) uit het sacraIe merg lopen mee met de nn.pelvici en eindigen vlak bij of in de wand van het effectororgaan. De uterus wordt parasympatisch geïnnerveerd vanuit S I-S4 en de ovaria vanuit S I-S3. Van belang is ons verder te realiseren dat de uterus opgehangen is onder het sacrum en de ovaria onder L5. Daarnaast is het juist functioneren van het sacrum essentieel voor het normaal functioneren van het primaire ademhalingsmechanisme (P.A.M.), omdat het sacrum via de dura mater (core-link) in verbinding staat met de occipitale/craniale regio (zie 7.6).
Veel sacrum letsels zijn traumatisch en juist het dekken kan hier een rol bij spelen (fokmerries). Ook het vallen op de croupe (bij hangen in een halster) of het stoten van de tuber coxae aan een deur bij een te nauwe doorgang geeft risico op sacrumblokkades.
Een blokkade van het SI gewricht vervormt de ligamenten van het bekken en kan druk geven op de passerende zenuwen van de plexus sacralis en de n.pudendis (S2-S4). Deze laatste innerveert via superficiale, diepe en dorsaIe takken het rectum en de voortplantingsorganen. We zien bij sacrumblokkades soms merries met vaginaal windzuigen (dit ten gevolge van problemen rond de pl.pudendus die de motoriek van de externe sfincters verzorgt). Daarnaast komt een paralyse van het rectum nog wel eens voor.
Bij een blokkade van het sacrum wordt het evenwicht in de hele wervelkolom verstoord, omdat de propulsiekrachten van hieruit naar craniaal vertrekken. Vaak zien we een asymmetrie in de croupe, moeilijk buigen naar een kant tijdens het rijden en moeite met voeten geven aan de smid.
Ook zien we wel paarden met ischiasproblemen (bij deze paarden is er vaak sprake van de zogenaamde piephak, een verdikking op de hiel door slaan tegen de muur). De n. ischiadicus loopt door de incisura ischiadica major tussen het sacrum en ilium en deze kan bij een sacrumblokkade makkelijk in de problemen komen.
Dracht van de staart is van belang bij sacrumblokkades, het scheef houden van de staart wijst vaak op problemen rond het sacrum. Wel is het belangrijk ons te realiseren dat veranderde staartdracht ook voorkomt bij b.v. breuken van coccygeale wervels (C04/5) en door bijvoorbeeld verlammingen aan de caude equina bij b.v. herpes virus type EHV1 bij paarden. Bij dit type virus komt tevens vaak een verlamming van de sfincters, verkoudheid en spontaan aborteren voor.
Op het sacrum kan een listening techniek worden uitgevoerd. Belangrijk is verder een normale beweeglijkheid van het sacrum t.o.v. L6 en bilateraal t.o.v. het os ilium. De beweging van het sacrum is m.n. een flexie/extensie beweging. Bij paarden kunnen we verder gebruik maken van een zachte compressie op de tuber sacralia en de 'tail-pull'. Ook kunnen we gebruik maken van het ontspannen van de m.coccygeus. Via staart kunnen Jones-technieken worden uitgevoerd, m.n. ook voor een normale beweeglijkheid van L6, omdat dit een wervel is waar we, vanwege zijn ligging, niet goed rechtstreeks bij kunnen.
L6 is verder van belang bij recidiverende baarmoeder ontstekingen, die resistent reageren op
antibiotica en blaasproblemen (spasme van de blaassfincter, moeilijk urineren of onvolledige lediging van de blaas, met eventuele secundaire infecties).
De ontspannende invloed die technieken rond het sacrum op de merrie hebben zijn belangrijk, vooral bij heftig hengstige merries is er vaak sprake van geïrriteerd zenuwachtig gedrag, dat hier gunstig door wordt beïnvloed en daardoor ook een behandeling makkelijker maakt. Zoals eerder genoemd heeft het sacrum een directe relatie met het O.A.A complex via de core-link en is in die zin belangrijk voor het optimaal functioneren van het cranio-sacrale systeem hetgeen een mede een belangrijke regio is ook in verband met de gedrag/psyche van de merrie (zie 7.4/7.5).
Ten aanzien van de lumbale wervelkolom is ook LI nog een niveau wat in relatie tot hengstigheids- problemen genoemd moet worden. Laesies op het niveau van LI veroorzaken vaak hormonale stoornissen bij de merrie (hyper/hypo, soms met cystevorming).


4. Hengstigheidsproblemen en osteopathische relaties met het occiput-atlas-axis complex (O.A.A)
Een juist functioneren van het O.A.A. complex is van groot belang in verband met hengstigheids- problemen om meerdere redenen. Ten eerste is het vrij zijn van het O.A.A. complex belangrijk, omdat de spheno-basilaire flexie/extensie die deel uitmaakt van het P.A.M. (zie 7.6) niet mogelijk is, wanneer C I niet vrij is (mechanisch). Flexie/extensie/lateroflexie beiderzijds van CI moeten dus normaal mogelijk zijn. Het O.A.A. complex kan goed met een listening techniek behandeld worden. Het hoofd van het paard ligt daarbij op de schouder van de osteopaat, de handen van de osteopaat nemen contact op het O.A.A. en de bewegingen van het O.A.A worden gevolgd, waarbij geen druk wordt uitgeoefend. Bij deze techniek wordt de craniale basis vrijgemaakt. De tweede reden dat het O.A.A. complex vrij moet kunnen functioneren is vanwege zijn relatie met het ganglion cervicale craniale. Het ganglion cervicale craniale ligt bilateraal ventraal van de ala van de atlas en is een belangrijk centrum in het juist functioneren van de orthosympaticus.
Het ganglion cervicale craniale is verbonden met de dorsale boord van de a.carotis intemus. Er worden anastomosen gevormd met de n.glossopharyngeus, n. vagus, n.accesorius, n.hypoglossus en de eerste 2 spinale zenuwen.
De n.jugularis verbindt het gl.cervicale craniale met het ganglion jugularis van de n.vagus (directe verbinding tussen de ortho en parasympaticus). Vanuit het ganglion cervicale craniale ontspringen de nn.carotici intemi, deze lopen mee met de a.carotis intema de schedel in en vormen daar de plexus carotis intemus (cavemosus). Hieruit ontspringen o.a. de rr.hypofysialis (naar hypofyse), de rr.choroidei (naar de plexus choroideus) en de rr.vasculares (naar de aa.cerebri, .arteriele ring in de hersenen, cirkel van Willis). Verder ontspringen hier nog verschillende takken naar de ogen, het ggl.pterygo-palatinum (de n. petrosus profundus) en takken naar het middenoor.
Behalve de nn.carotica interni ontspringen de nn.carotica externi (gaan naar de buitenkant van de schedel) vanuit het ganglion cervicale craniale. Deze lopen met de a.carotis communis mee en vormen de plexus caroticus communis met takken uit de n.glossopharyngeus en de n. vagus.
Via het ggl.cervicale craniale en met name door de rr .hypofysialis (die het functioneren van het portaal systeem fond de hypofyse beïnvloeden) is er dus een directe invloed van het O.A.A. complex in de richting van de hypofyse. Daarnaast wordt de hypofyse meer indirect beïnvloed via de rr .choroidei (belangrijk voor het juist functioneren van het P.A.M. en daarmee het cranio-sacrale ritme; zie 7.6). Het juist functioneren van de hypofyse is in verband met de afgifte van hormonen van essentieel belang voor een normale cyclus.
Ook bij de neuro-endocriene regulatie van bijvoorbeeld de afgifte van melatonine bevindt zich in het ganglion cervicale craniale een sleutelpunt (zie 2.3 en 3.8).
Problemen die bij een blokkade ter hoogte van C I veel voorkomen zijn gedragsproblemen, hoofdpijn, triestheid, een afgenomen bevloeiing van de schedel (door stoornis in het arteriële systeem, cirkel van Willis en in het portaal systeem hypothalamus-hypofyse), een verminderde drainage van de schedel (door verminderd ritme -> optredende stase in de veneuze sinussen, het liquor systeem draineert hier ook), sinusitis, oorproblemen en tranende ogen.
Belangrijk is te bedenken dat het ganglion cervicale craniale via de ramus interganglionaris is verbonden met het ganglion stellatum (dit ligt aan de mediale zijde van de eerste rib). Het ganglion stellatum wordt bij het paard verdeeld in een dorsale etage (het ganglion cervicale caudale en het eerste thoracale ganglion) en een ventrale etage (de ramus interganglionaris cervicales medius). De dorsale etage ontvangt de n. vertebralis en de ventrale etage ligt in contact met de a.carotis communis. Het ganglion stellatum geeft vooral nn.cardiaci.
Bij problemen fond het ganglion stellatum moet dus ook de eerste rib gecontroleerd worden en daarna eventueel worden vrijgemaakt. Symptomen bij een blokkade van de eerste rib zijn onder andere hoofdpijn, emotionele overgevoeligheid, anale jeuk (schuren!), singeldwang en problemen bij het opzadelen. Het ganglion stellatum staat in nauw contact met C7 en de eerste thoracale wervels (schoftregio). Teruglopende takken vanuit dit ganglion gaan naar Th5/-6- Th12/I3.
Het ganglion stellatum heeft verder relaties met de plexus brachialis (C6- Th2, voorbeenproblemen) en het diafragma via de n.phrenicus (C5-C7).
 

5. Hengstigheidsproblemen en osteopathische relaties met de craniele botstukken en het P.A.M.
Naast een vrij functionerend C l is het van belang dat de craniele botstukken normaal en vrij kunnen bewegen. Dit is nodig voor het normaal functioneren van het primaire ademhalingsmechanisme (P.A.M.).
Het primaire ademhalingsmechanisme (P.A.M.)
Het P.A.M. (primaire ademhalingsmechanisme) bevat een aantal ritmische zwellingen en
ontzwellingen van de schedelbeenderen en via de Core-link (de dura mater aanhechtingen occipitaal, cervicaal en sacraal) gerelateerd aan het sacrum. Het P.A.M. is niet afhankelijk van hartritme en ademhalingsritme thoraco-pulmonair. Bij het paard zien we ongeveer 7 tot 10 zwellingen/ontzwellingen per minuut. Volgens de theorie van dr. Sutherland ontstaat het P.A.M., doordat de zwelling ontstaat door aanmaak van L.C.S. (liquor cerebro spinalis). L.C.S. wordt gemaakt door de plexus choroideus in het vierde ventrikel. Via de apertura lateralis ventriculi kan de L.C.S. naar de buitenste liquorruimte (arachnoidaalruimte). De ontzwelling wordt veroorzaakt door afvoer van de L.C.S. via de craniale veneuze sinussen (sinus saggitalis), die deel uitmaken van het veneuze systeem van de bloedsomloop. Voor het normaal functioneren van het P.A.M. zijn dus een aantal voorwaarden nodig:
- De motiliteit van de hersenen en de dura mater
- Fluctuatie van het L.C.S.
- Beweeglijkheid van intracraniale en interspinale membranen
- Beweeglijkheid van de craniele botstukken
- Beweeglijkheid van het sacrum onder beide tuber sacralia van het os ilium.
Bij de mediane botstukken staat de flexie/extensie beweging van de spheno-basilaire synchondrose (SSB gewricht) centraal, deze beweging is belangrijk voor het normaal functioneren van het P.A.M.
Bij de perifere botstukken staat met name de interne en externe rotatie van de ossa temporalia centraal in verband met het P.A.M.
Wanneer het craniele ritme wordt verstoord (b.v. mechanisch via CI / SSB of bijvoorbeeld indirect via
ggl.Cerv .craniale of os hyoideum), heeft dit zijn invloed op het functioneren van hypofyse en hypothalamus. De hypofyse bevindt zich in de sella turcica van het os sphenoidale. De sella turcica wordt overdekt door het diafragma sella (een afsplitsing van de dura mater). Dit diafragma zorgt ervoor dat de hypofyse op zijn plaats blijft. Een normaal cranio-sacraal ritme geeft een pompwerking op de hypofyse. Wanneer het ritme te laag is ontstaan er problemen rond deze pompwerking. De hypothalamus ligt net boven het derde ventrikel en wordt ook beïnvloed door dit systeem van zwelling en ontzwelling. Wanneer het hypothalamus/hypofysesysteem niet goed werkt, raakt het hormonale systeem in de merrie gestoord, hetgeen natuurlijk invloed heeft op de oestrische cyclus.
Zoals al gezegd is een normaal ritme bij het paard 7 tot 10 zwellingen/ontzwellingen per minuut. Belangrijk is te bedenken dat een ritme hoger dan 10 mogelijk een orthosympatisch geïrriteerde situatie weergeeft en een ritme lager dan 7 een parasympatische situatie (depressie).
Het craniale ritme bij het paard is praktisch goed te voelen met twee vingers voor en twee vingers
achter de oren van het paard. Een andere mogelijkheid is een hand te leggen op het os frontale en de andere hand op de mandibula of het os occipitale. Een derde mogelijkheid om het ritme te palperen is het plaatsen van twee handen op het os frontale. Om het paard craniaal te behandelen, kunnen alle craniele technieken die praktisch uit te voeren zijn bij het paard, toegepast worden.
 

6. Hengstigheidsproblemen en osteopathische relaties met het os hyoideum
In hoofdstuk 3.10 werden al de thyroid hormonen genoemd en hun verband met de oestrische cyclus. Het os hyoideum is voor de osteopaat een aangrijpingspunt om het basaalmechanisme van de schildklier te ondersteunen. Door middel van het palperen van de processus lingualis kan een eventuele spanning rond het os hyoideum worden geevalueerd. Bij een eventuele spanning kunnen we behandelen middels zeer zachte fasciale technieken naar de 'side of ease' of 'side of barrier'.
Net als bij de technieken sacraal, wordt de merrie door het gebruik maken van deze technieken meestal ook rustiger. Een overweging is dus om deze techniek helemaal in het begin te doen, zeker bij merries die erg onrustig zijn.
Het os hyoideum heeft een relatie met de fascia cervicalis profunda. Het oppervlakkige blad daarvan, de fascia pretrachealis, heeft zijn oorsprong aan de ala van de atlas, de processi transversi van de cervicale wervels en de vertebrale spieren. Het craniale deel van deze fascie staat in contact met het os hyoideum en het caudale deel bedekt de mm.scaleni en waaiert uit op ribben en sternum (bovenste thoraxopening). De fascia pretrachealis loopt tussen de infrahyoidale spieren en omhult de ventrale zijde van de trachea, de oesophagus en de schildklier, het staat verder in verbinding met de fascia cervicalis superficialis. Het diepe blad van de fascia cervicalis profunda is de lamina prevertebralis. Deze lamina ligt in het ventrale deel van de hals, hecht aan onder het os sphenoidale en omgeeft de m.longus colli, longus capitis en de m.scaleni.
Belangrijk is dat we ons realiseren dat deze diepe cervicale fascias zorgen voor een continuïteit vanaf
de apex van het diafragma via het pericard naar de schedel (sphenoid, occiput en temporale) en via de foramina in de schedel rond bloedvaten en zenuwen naar de dura. Het vrij zijn van de bovenste thoraxopening en het diafragma is dan ook belangrijk voor een juist functioneren van het P.A.M. In verband met het os hyoideum dienen we ons te realiseren dat het, via het tympanohyoid,
rechtstreeks articuleert met het os temporale en verder via onder andere fascias, spieren (b. v. de m.occipitohyoideus) en ligamenten in verbinding staat met het cranio-sacrale systeem en zo een grote invloed heeft op het endocriene systeem en dus ook op de regulering van de cyclus.
 

7. Hengstigheidsproblemen en viscerale relaties
De slechte ligging van uterus wordt humaan aangegeven als een reden voor problemen. De ligging van de uterus bij de vrouw midden tussen de heupkoppen in het zwaartepunt van het lichaam is verre van ideaal doordat alle krachten die van boven en onder komen via dit punt geleid worden. Bij het paard
ligt de uterus wel tussen de heupkoppen, maar de inwerkende krachten worden naar horizontaal geleid. De druk van de zwaartekracht op de uterus is bij het paard dus veel minder.
Humaan ligt de blaas voor de uterus en het rectum erachter. Zowel blaas als rectum zijn organen met hoge concentraties van afvalstoffen, hetgeen deze ligging dus ook niet ideaal maakt.
Bij het paard is ligt het rectum dorsaal en de blaas juist ventraal van de uterus. Misschien is de 'vuilnisbakfunctie' van rectum en blaas bij het paard minder dan bij de mens. Het feit dat het paard een heel ander dieet heeft en ongeveer 8 keer per dag mest zou misschien kunnen betekenen dat de concentraties afvalstoffen in deze regio minder zijn dan bij de mens. Aan de andere kant mogen we de , ligging van uterus midden in de 'vuilnisbak' toch zeker niet vergeten, want er is door de interstitiele ruimte en peritoneale bladen een rechtstreeks contact tussen uterus en rectum aan de bovenzijde en uterus en blaas aan de onderzijde.
Visceraal is het belangrijk te bedenken dat het ovarium rechts net onder de kop van het caecum ligt en het ovarium links midden in het dunne darm pakket. Er is dus rechtstreeks contact via de peritoneale bladen. Visceraal technieken voor zowel caecum als dunne darm om beide vrij te maken, zijn dus belangrijk indien in deze regio's een spanning wordt gevonden.
Belangrijk is ook, in verband met de vele hormonen die meespelen in de cyclus, te denken aan de lever. De lever is belangrijk in verband met de afbraak van hormonen (bijvoorbeeld die van
oestrogenen) die hier plaatsvindt. De concentratie van een hormoon in het bloed is afhankelijk van de snelheid waarmee dit hormoon aangemaakt wordt en van de snelheid waarmee dit afgebroken wordt. De normale fysiologische inactivering van hormonen vindt voor een groot deel in de lever plaats. Na inactivering volgt dan meestal een afbraak. Door leverproblemen zien we vaak een verminderde drainage en daardoor congestieproblemen (stuwing) rond de bekkenorganen. Bij problemen van de lever is de midthoracale regio (Th 9-14; net onder het zadel!) orthosympatisch belangrijk en de n.vagus parasympatisch (ook richting O.A.A.) belangrijk. Daarnaast dient bij leverproblemen gelet te worden op onder andere de sinussen, tranenvloed, dicht plakken van de ogen, huidproblemen (bobbeltjes en schilfers) en jeuk.
De nieren; denk aan hun relatie met L2, een wervel die in flexie nog wel eens geblokkeerd raakt bij galoppeurs, of na een weigering voor een hindernis/sliding stop. Hun relatie met de m. psoas major/minor werden reeds genoemd in hoofdstuk 7.2.
 

8. Hengstigheidsproblemen en het belang van het vrij zijn van het diafragma
Het vrij zijn van het diafragma is belangrijk i.v.m. hengstigheidsproblemen. Allereerst geeft behandeling van het diafragma een ontspanning (net als behandeling van bijvoorbeeld sacrum en het os hyoideum). Gezien het onrustige gedrag dat deze merries vaak vertonen kan dit een zeer waardevolle start van onze behandeling zijn. Door het doen van een listening/fasciaaltechnieken kunnen we het diafragma bereiken. Een hand van de osteopaat neemt contact onder de buik net na de processus xyphoideus van het sternum, de andere neemt contact hier tegenover op de thoracale wervelkolom.
Behandeling van het diafragma is ook belangrijk in verband met zijn nauwe relatie met de lever, die er tegen aan ligt. Het belang van de lever in verband met hengstigheidsproblemen is hiervoor reeds besproken. Verder is in hoofdstuk 7.6 al aangegeven dat het vrij zijn van het diafragma belangrijk is in verband met een juist functioneren van het P.A.M. Diafragma technieken bij de behandeling van de merrie met hengstigheidsproblemen mogen dus zeker niet vergeten worden.
 

BESLUIT

Van de twaalf merries die onderzocht en behandeld zijn in verband met het maken van deze thesis zijn er elf in positieve zin veranderd in hun gedrag en makkelijker geworden met rijden. Zeven merries zijn in positieve zin veranderd in hun problemen met de cyclus (minder hevig/lang hengstig, regelmatiger of veranderd van nooit hengstig naar wel hengstig). Een merrie is niet veranderd (nooit hengstig en na de behandeling nog steeds niet). Een merrie is nog niet geëvalueerd en een merrie is wel geëvalueerd t.a.v. problemen met rijden, maar niet t.a.v. de hengstigheid (beide vanwege het late tijdstip in het seizoen).
Hoewel twaalf merries natuurlijk eigenlijk een te kleine groep is om hier conclusies aan te mogen verbinden, lijkt het wel geoorloofd een osteopathische behandeling als waardevolle aanvulling te zien op hetgeen er tot nu toe voor merries met problemen met de hengstigheid gedaan kan worden.
Het zou de moeite waard zijn in de toekomst eventueel een grotere groep merries te onderzoeken en de evaluatie meer te standaardiseren (bijvoorbeeld door de cyclus langere tijd schriftelijk te laten bijhouden en op vaste momenten het gedrag en de cyclus met de eigenaar van de merrie te evalueren). Ook het gebruik maken van een (niet behandelde) controle groep zou dan aan te bevelen zijn. Dit lijkt een leuk en interessant project voor de toekomst.
Verschillende regio's in het lichaam zijn naar voren gekomen als probleemgebieden in verband met de cyclus. Het blijft echter belangrijk om altijd een totaal onderzoek en behandeling te geven (treat what you find!) en een behandeling zal daarom ook altijd individueel verschillend zijn.
Hoewel merries met hengstigheidsproblemen een groep paarden is die in haar gedrag (in het begin) vaak niet de makkelijkste is om osteopathisch te onderzoeken en behandelen, vond ik het een hele leuke groep om te behandelen. Dit met name omdat de veranderingen in het welbevinden van de merries zo spectaculair bleken te zijn. De osteopathie kan hier duidelijk zijn steentje bijdragen aan het aangenamer maken van het leven van een heel aantal merries en daarmee ook van hun eigenaren. Een blij en tevreden paard zou toch uiteindelijk altijd het doel moeten zijn van een ieder die met paarden omgaat. Hoewel dit doel en onze verantwoordelijkheid hiervoor, denk ik, in de paardenwereld nog wel eens uit het oog verloren wordt, hoop ik dat de osteopathie in de toekomst zijn bijdrage kan leveren aan het welzijn van dit bijzondere dier. Ik wil deze thesis daarom afsluiten met een overdenking van Peter Gray uit 1928:
"We zijn bijna vergeten hoe vreemd het is dat zo'n groot, machtig en intelligent dier als een paard; een ander veel zwakker dier op zijn rug laat rijden. "

 

 

 

Terug naar lijst