EINDWERKEN
Rita Celis:
Proximale patellafixatie
Inleiding
Een paard is het enige dier dat heel zijn leven bijna rechtstaand doorbrengt. Doodmoe zal het nog blijven rechtstaan. Een rustend paard gaat doorhangen door één heup en laat daarbij één achterbeen rusten. Het volledig doorhangen wordt verhinderd door een samenspel van spieren, ligamenten en pezen. We spreken hier over het passieve sta-mechanisme van het paard.
Dit systeem mag enkel in rust functioneren . Wanneer dit optreedt bij beweging loopt er iets fout. De patella geraakt geblokkeerd en we spreken dan over proximale patellafixatie. Het is een aandoening die van milde tot matige en ernstige vormen kan aannemen. Meestal is het probleem op een eenvoudige manier te verhelpen.
Vanuit osteopathisch oogpunt mogen we de mogelijke links met wervelzuil en viscera niet uit het oog verliezen. Ook de mogelijke wisselwerking tussen deze laatste mag men niet vergeten te onderzoeken en te behandelen om tot een goed therapeutisch resultaat te komen.
OSTEOPATHISCHE BEHANDELINGSTECHNIEKEN
1.1 Pariëtaal
Door een blokkage van de wervelzuil ontstaan er segmentale verschijnselen. Deze geven een gestoorde efferentie naar de overeenkomstige organen en naar de periferie. Door hypertonie van de autochtone rugspieren ontstaat er een orthosympathische ontregeling. Hierdoor krijgen we een vasoconstrictie van de bloedvaten. Gestoorde orthosympathische efferentie naar de periferie en vasoconstrictie kan aanleiding geven tot problemen in de knie.
Na het losmaken van de wervelzuil kan het probleem in de knie al opgelost zijn. Indien niet, gaan we ook de knie behandelen.
1.2 Visceraal
Vanuit de organen kan er een gestoorde afferentie ontstaan naar de overeenkomstige segmenten in de wervelzuil. Hierdoor ontstaat er op die hoogte een blokkage. Dit kan leiden tot een gestoorde orthosympathische efferente bezenuwing van spieren, waardoor er een verhoogde tonus ontstaat in de spieren. Deze verhoogde tonus zou eventueel een PPF kunnen veroorzaken.
1.3 Cranio-sacraal
Het sacrum beweegt onder invloed van het primaire ademhalingsritme (PAM). Dit ritme komt tot stand door het bewegen van de symphyse spheno-basillaris ter hoogte van de schedel. Via de dura mater staat het sacrum in verbinding met de atlanto-occipitale regio (“core link”). Ter hoogte van de schedel zit het vast aan het schedeldak en aan het foramen magnum van het occiput. Het is ook verbonden met de eerste twee drie cervicale wervels. Elke beweging van de symphyse sphenobasillaris wordt via het os occipitale overgezet op de dura mater. Deze zet de flexie-extensiebeweging over op het sacrum waardoor er beweging van het sacrum gebeurt in horizontale en verticale richting.
Bij een storing van het PAM zal het sacrum een motiliteitsverandering ondergaan. Dit heeft invloed op de plexus lumbosacralis, de musculatuur die door deze plexus bezenuwd worden, de m. iliopsoas (m. psoas minor en m. iliacus hebben een insertie op het sacrum) en de fascia thoraco-lumbalis.
2 De thoracolumbale en lumbale wervelzuil
Wanneer we een blokkage vinden ter hoogte van deze zone, gaan we de geblokkeerde wervels manipuleren. Bij hypertonie en blokkage gebruiken we een Jonestechniek. Daarnaast kunnen we nog fasciale technieken (listening) gebruiken om ontspanning van de regio te bekomen. Deze fasciale technieken worden ook steeds gebruikt na manipulatie.
Via de behandeling van deze zones gaan we automatisch ook een invloed krijgen op de organen die gelinkt zijn aan deze verschillende zones.
3 De thoracale wervelzuil
Een blokkage ter hoogte van deze zone gaan we proberen op te heffen door een manipulatie of Jonestechniek. Na een manipulatie gebruiken we een fasciale listening om ontspanning te bekomen. We gaan een invloed krijgen op de organen gelinkt aan deze zones.
4 De cervicale wervelzuil
Deze maken we meestal los met een Jonestechniek of een manipulatie, gevolgd door een fasciale listening.
5 Occiput-atlas-axis complex, ganglion stellatum
Deze regio wordt behandeld door een distractie of een Jones-techniek. In deze zone wordt er praktisch nooit gemanipuleerd. Het occiput-atlas-axis (OAA) complex moet vrij zijn om een goede werking van de viscerale organen te waarborgen. Een orgaanstoornis kan een blokkage veroorzaken ter hoogte van het OAA-gewricht via de n. vagus.
Dit complex is belangrijk voor het juist functioneren van het ganglion cervicale craniale, gelegen onder de vleugels van de atlas. Dit is het eerste orthosympathische ganglion. Via de n. jugularis wordt dit ganglion verbonden met het ganglion jugularis van de n. vagus. Via deze weg krijgen we verbinding tussen het parasympathische en orthosympathische zenuwstelsel. Uit dit ganglion ontspringen verschillende belangrijke zenuwtakken naar het hoofd en de hersenen. De nn. carotici internae, die meelopen met de a. carotis internus. De rami hypofysialis, die rond de hypofyse verlopen, zijn zeer belangrijk omdat ze de link zijn tussen het OAA-complex en de hypofyse. Daarnaast zijn er ook nog takken die instaan voor de regeling van de arteriële bevloeiing in de schedel.
Via de ramus interganglionaris wordt het ganglion cervicalecraniale verbonden met het ganglion stellatum, dat in nauw contact staat met C7-T1-T2. Deze zone wordt behandeld door een fasciale listening. De voorste thoraxopening wordt behandeld door één hand op de schoft te plaatsen en de andere hand op het manubrium sterni.
Om het sacrum te behandelen kunnen we verschillende technieken gebruiken. Een fasciale listening, compressie van beide tubers sacrale, een tail-pull en Jonestechnieken.
7 De patella
We omvatten de patella met de hand, de duim naar lateraal. de patella wordt naar dorsaal en mediaal geduwd en ondertussen laten we het paard voorwaarts of achterwaarts stappen totdat de knieschijf loskomt.
De nieren kunnen we beïnvloeden via een fasciale listening waarbij de handen paravertebraal geplaatst worden ter hoogte van T12 tot L3. Rechts ligt de nier iets cranialer dan links.
Dit kunnen we fasciaal volgen door één hand ter hoogte van het sternum(processus xyphoideus) te leggen en de andere ter hoogte van de lumbale wervelzuil.
Deze gaan we weer fasciaal trachten te volgen door één hand op het sternum ( processus xyphoideus)te plaatsen en de andere hand ter hoogte van D18.
Hier gebruiken we weer een fasciale listening. Eén hand plaatsen we op de laatste thoracale en eerste lumbale wervels, de andere hand leggen we abdominaal ter hoogte van processus xyphoideus.
12 Het os hyoideum
Dit botstukje staat in nauw contact met de schildklier die hormonaal zeer belangrijk is. Via een fasciaal blad,dat vertrekt onderaan het os sphenoïdeum, staat het os hyoideum in contact met de voorste thoraxopening en verder via het pericard met het diafragma. Het vrij zijn van de voorste thoraxopening en een goede motiliteit van het diafragma is belangrijk voor de beweeglijkheid van het os hyoideum. Dit laatste heeft ook een invloed op het PAM.
De behandeling van dit botstuk gebeurt via een techniek waarbij we met de middenvinger het basishyoied licht naar voor trekken en langzaam terug lossen. Deze beweging kunnen we ook in laterolaterale richting uitvoeren.
BESLUIT
Proximale patellafixatie is een aandoening die meestal op een eenvoudige manier kan opgelost worden. Na de osteopathische technieken is het belangrijk dat men aan de ruiter en de instructeur juiste richtlijnen geeft.
Na de osteopathie heeft een paard rust nodig. Deze rust is afhankelijk van de ernst van de indicatie, de leeftijd van het paard, het niveau van de ruiter en het paard, en het wedstrijdschema.
Samenvattend kan men zeggen dat PPF een kreupelheidsletsel is dat vaak snel en gunstig kan beïnvloed worden door de osteopaat.
Terug naar lijst