terug
4. Behandeling
Al de proefpaarden werden tijdens de eerste testsessie osteopathisch behandeld door de docenten van het I.C.R.E.O. Er werd geopteerd om ieder paard in zijn totaliteit te behandelen en niet enkel de laesies die een verband zouden kunnen hebben met de mobiliteit van de lumbale wervelzuil en het bekken. Dit omdat men een osteopathiebehandeling niet correct kan interpreteren als ze niet volgens de regels van de kunst is uitgevoerd.
Tijdens de behandelingen werden enkel manuele technieken gebruikt. De proefdieren ontvingen vooraf of tijdens de behandeling geen enkele vorm van sedatie.
Er werd gebruik gemaakt van volgende technieken:
- manipulatieve technieken: rebound technieken, strain-counterstrain, direct-thrust manipulaties voor de verschillende delen van de wervelzuil
- fasciale technieken
- viscerale technieken
- cranio-sacrale technieken
Discussie
Het doel van dit onderzoek was na te gaan of er een bewegingsanalytisch verschil is van de lage rug en het bekken tijdens stap, voor en na een osteopatische behandeling.
Dit onderzoek gebeurde via beeldanalyse waarbij metingen werden uitgevoerd op twee verschillende dagen. Bij een dergelijke aanpak moet rekening gehouden worden met het feit dat de vergelijking van de resultaten van de verschillende dagen beïnvloed kan worden door enerzijds de betrouwbaarheid van het gebruikte meetinstrument (technische variabiliteit) en anderzijds de dagelijkse variabiliteit van de fysiologische variabelen (biologische variabiliteit).
Er moet eveneens met een paar zaken rekening gehouden worden in verband met het onderzoek en de testen zelf.
In vivo benadering van de wervelkolom is moeilijker omwille van een aantal factoren.
- - De bewegingen zijn complex en relatief klein waardoor er accurate meettechnieken nodig zijn.
- - De huid die de wervelkolom bedekt, verhindert de directe observatie en kwantificering van de vertebrale bewegingen.
- - De paravertebrale musculatuur maakt de benadering van de wervelkolom moeilijk.
Het werken met transcutane markers kan ons een exacter beeld geven, maar gezien de beperkte mogelijkheden en de ethische vraag die we ons daarbij moeten stellen, was dit geen optie.
Er is opmerkelijk weinig onderzoek verricht naar het osteopatische behandelen van paarden. Wat het belang van dit onderzoek betreft, is er echter een longitudinaal onderzoek vereist met een tijdspanne van enkele maanden.
De verwerking van de beelden in dit onderzoek gaat slechts over vijf stapcyclussen per proefdier. Er zijn nog heel wat mogelijkheden om dit onderzoek uit te breiden. Zo had de mate van overstappen erin betrokken kunnen worden evenals het uitbreiden van de beeldanalyse met opnames van het sagittaal vlak. Ook had er gekeken kunnen worden naar verschillen bij de soorten stap: verzamelde stap, middenstap en uitgestrekte stap.
In het onderzoek worden de proefdieren niet vergeleken met ‘normale/gezonde/standaard’ paarden. Er is weinig tot geen literatuur te vinden over het normale stappatroon bij paarden. Wat is normaal? Wat is goed? Wat is standaard? Dit zijn vragen die niet opgelost kunnen worden en waardoor er ook geen vergelijking mogelijk is met een ‘normaal/gezond/standaard’ paard. Omwille van die reden vergelijken we de paarden enkel voor en na een osteopatische behandeling en niet met een controlegroep en/of een standaardpatroon. Zo zal het ene paard meer rotatie ter hoogte van het bekken vertonen om te compenseren bij de stapbeweging terwijl het andere paard meer lateroflexie zal vertonen. Of dit afhankelijk is van het ras, de discipline,… is niet duidelijk.
Volgens Faber et al. (2002) hebben paarden een individuele anatomische variabiliteit en een individuele voorkeur voor een specifiek bewegingspatroon. Om eenzelfde snelheid te behouden, gebruiken ze een verschillende combinatie van paslengte en duur. Op een vergelijkbare manier gebruiken paarden verschillende combinaties van bewegingen van de wervels om een beweeglijkheid van de rug te verkrijgen die nodig is voor een zo soepel mogelijk bewegingspatroon.
Uit het onderzoek is gebleken dat de grootste verschillen merkbaar waren tussen meting 1 en meting 3. Dertig minuten na osteopatische behandeling was er telkens een verbetering. Deze was echter minder groot in vergelijking met meting 3 ten opzichte van meting 1. Deze bevindingen kunnen verklaard worden doordat het lichaam een bepaalde tijd nodig heeft om na een behandeling zijn evenwicht terug te vinden. Dit is één van de basisprincipes binnen de osteopathie: streven naar homeostase (A.T. Still, 1904).
Deze studie kan moeilijk vergeleken worden met andere onderzoeken aangezien er nog geen onderzoeken gebeurd zijn naar het effect van dergelijke osteopatische behandelingen.
Tijdens het eigen onderzoek gebeurde er ook een subjectieve analyse. Voor en na de osteopatische behandeling werd telkens een score op 10 gevraagd aan de eigenaar/ruiter van het proefdier over het rijgedrag/stalgedrag. Vijf weken na de behandeling was de score telkens opmerkelijk hoger. Hieruit kan besloten worden dat er voor de eigenaar/ruiter een verbetering merkbaar was in het rijgedrag/stalgedrag.
Algemeen besluit
De laatste jaren is er heel wat controverse rond osteopathie bij paarden. Er zijn reeds verschillende in vivo onderzoeken gebeurd naar de bewegingen van de rug en dit bij verschillende gangen door o.a. Denoix (1999), Faber (2000, 2001), Licka (2001), Wennerstrand (2004), Dyson (2004) en Keegan (2004). Van Weeren et al. (2002) deed een follow-up over lange termijn van manipulatieve behandelingen bij paarden met rugproblemen. Wakeling et al. (2006) keek naar het effect van spinale manipulatie en reflexinhibitietechnieken. Haussler behandelde paarden door middel van chiropraxie. De effectiviteit van een osteopatische behandeling bij paarden is echter te weinig gekend omdat er te weinig onafhankelijke studies gepubliceerd zijn in dit vakgebied. Het is dus noodzakelijk meer onderzoek te doen naar deze behandelingen bij paarden. Dit onderzoek toonde aan dat de bewegingen van het bekken en lage rug na een osteopatische behandeling symmetrischer en vloeiender waren. De kwantitatieve en kwalitatieve analyse toonden een verbetering aan een half uur na de behandeling. Vijf weken na de behandeling was er een nog grotere verbetering merkbaar. Uit de subjectieve analyse, die bestond uit de scores van de eigenaars/ruiters van de paarden, gevraagd vijf weken na de behandeling, bleek eveneens een verbetering. Uit zowel de kwantitatieve, de kwalitatieve als de subjectieve analyse kan besloten worden dat een osteopatische behandeling een verbetering geeft op de bewegingen van het bekken en de lage rug van het paard.
Procentuele veranderingen bij de 7 proefpaarden.
|
Voor behandeling |
Na behandeling |
verschil |
% |
na 5 weken |
verschil |
% |
|
|
|
|
|
|
|
|
1 |
7,194193 |
7,922189 |
0,73 |
10,12 |
12,752483 |
5,56 |
77,26 |
2 |
8,319684 |
19,932261 |
11,61 |
139,58 |
20,16588 |
11,85 |
142,39 |
3 |
10,678693 |
17,633328 |
6,95 |
65,13 |
18,41739 |
7,74 |
72,47 |
4 |
7,214138 |
10,88483 |
3,67 |
50,88 |
11,329165 |
4,12 |
57,04 |
5 |
8,696087 |
10,45836 |
1,76 |
20,27 |
14,817974 |
6,12 |
70,40 |
6 |
10,589044 |
13,311665 |
2,72 |
25,71 |
14,476439 |
3,89 |
36,71 |
7 |
9,040955 |
12,122793 |
3,08 |
34,09 |
14,163919 |
5,12 |
56,66 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1 |
5,5564 |
5,714699 |
0,16 |
2,85 |
14,139557 |
8,58 |
154,47 |
2 |
9,352249 |
15,144012 |
5,79 |
61,93 |
15,843056 |
6,49 |
69,40 |
3 |
6,130539 |
9,263519 |
3,13 |
51,10 |
9,338013 |
3,21 |
52,32 |
4 |
7,34079 |
9,290871 |
1,95 |
26,57 |
10,695129 |
3,35 |
45,69 |
5 |
8,040038 |
8,742897 |
0,70 |
8,74 |
13,411217 |
5,37 |
66,81 |
6 |
7,859856 |
8,284889 |
0,43 |
5,41 |
10,171898 |
2,31 |
29,42 |
7 |
4,641983 |
6,887298 |
2,25 |
48,37 |
10,82975 |
6,19 |
133,30 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Tabel 4: Procentuele veranderingen bij de 7 proefpaarden
PP 1 |
4 |
7 |
PP 2 |
6 |
8,5 |
PP 3 |
6 |
8 |
PP 4 |
8 |
9 |
PP 5 |
6 |
8 |
PP 6 |
6,5 |
8 |
PP 7 |
6 |
8 |
Tabel 5: subjectieve veranderingen bij de proefpaarden. Score op 10.
|